Het vertrek verloopt moeizaam. De rit naar de luchthaven duurt langer dan we gedacht hadden. Er is veel verkeer, voornamelijk vrachtwagens, ondanks het feit dat we op een feestdag (1 november is in Algerije de dag van de revolutie) vertrokken. Vlak voordat we de stad bereiken stopt de chauffeur langs de weg. Eén van de voorbanden staat onder te weinig druk, het laatste stuk doen we met een slakkegangetje. Gelukkig hadden we een tijdsmarge voorzien om Constantine te bezoeken, maar die stad is voor een andere keer, in de luchthaven hangen foto's van de streek, dat geeft een beeld. Het vliegtuig dat ons naar Tamanrasset moet brengen, is er nog niet. Een uur na het geplande vertrek landt het toestel. Het blijft nog een tijdje aan de grond voor alle formaliteiten vervuld zijn. (formaliteiten: paspoortcontrole (x2), fouilleren, ieder moet zijn bagage van de grond nemen en op de kar zetten, controle van de handbagage onderaan de trap, controle van het ticket) Met bijna twee uur vertraging stijgen we op. Als we, tot onze vreugde, een dik uur later landen, blijkt dat maar een tussenlanding. De vriendelijke steward vrolijkt ons op mijn zijn grapjes. Ghardaïa is in vogelperspectief een mooie witte stad. De agent van het reisbureau vertelt ons later dat het een ommuurde stad is en iedere avond bij zonsondergang sluiten de stadspoorten. Enkel de stedelingen mogen dan nog binnen de muren rondlopen.
Tamanrasset oogt schoner dan Annaba. De gebouwen zijn ook echt mooi. De gebouwen van de nieuwe universiteit hebben de vorm van de Toeareg-juwelen en sandalen. We kijken onze ogen uit, zo mooi hebben wij geen universiteiten (in België).
Op Camping Dromedaire logeren we in een eenvoudige maar propere kamer met eigen douche (koud water) en toilet (Frans). Bij het avondmaal maken we kennis met een groep Duitsers. Ze zijn verslaafd en gaan om het jaar naar de woestijn. Ze wachten op hun aansluiting naar Djanet, daar gaan ze twee weken in de woestijn rondtrekken op kamelen. Ze beweren de beste gids te hebben, heel goed in het organiseren op maat, een hele vriendelijke Toearegfamilie. Hun referentie:http://www.desert-reisen.de/ of AKAL-tours in Tamanrasset.
Na de maaltijd krijgen we op een houtvuur klaargemaakte Chinese groene thee. Vanaf nu drinken we dat op zijn minst iedere avond. Het bereiden van de 'tsaj' is een heel ritueel:
- hout sprokkelen (of een tak van de boom hakken)
- vuurtje stoken
- vuurtje verplaatsen
- op de as van het vuurtje de thee laten trekken
- de thee afgieten in een andere kan en mengen met vijf lepels suiker (3 keer overgieten in een glas en terug in de kan)
- opnieuw water op de thee gieten en laten koken (lang genoeg)
- opnieuw mengen met suiker.
Zo worden er drie aftreksels van de thee gemaakt. Het eerste is voor de man, het tweede voor de vrouw en het derde voor het kind. In ons geval klopte dat, de eerste beker liet ik steeds aan me voorbij gaan, terwijl Erwin die het liefste dronk. Mooier gezegd:
Het eerste glas is bitter als de dood, de tweede zacht als de vriendschap en de derde gesuikerd als de liefde.Le premier verre est amer comme la mort, le deuxième doux comme l'amitié et le troisième sucré comme l'amour.
We hebben een doosje thee gekocht en zullen het thuis een keer klaarmaken.
's Anderendaags na een ontbijt van brood met confituur haalt onze gids (Boudgamma) ons op en dropt ons bij het reisbureau terwijl hij inkopen doet en de kok uithaalt. We krijgen wat uitleg over ons programma. Geen overbodige luxe blijkt later want Boudgamma is niet zo spraakzaam, althans niet in het Frans. De kok, Mohammed, Toeareg, speelt meer voor gids en kan bovendien heel lekker koken. Met een klein aantal eenvoudige ingrediënten tovert hij elke keer een heel ander verrassend maal op het kleed.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten